Romeo en Romeo

Geplaatst door: giorgy op 04-03-19

Romeo en Romeo

 

Een soort van ritmisch gegrom drong zich in zijn nog slapende hersenen. Hij begon zich juist af te vragen wat het voor een geluid was toen hij zijn ogen opende, die zich meteen op de lichtbron van het raam richtten waar een heldere ochtendzon door de openstaande schuifpui zich in de kamer verspreidde. Een fris morgenbriesje liet de gordijnen zacht wapperen.

“Wat is dat geluid nou?”, fluisterde Martijn zacht in zich zelf. Nog steeds was er het ritmische gegrom...”Ronkkkk...ronkkkkk.....”. Martijn schudde het hoofd tot hij wat helderder kon denken. Het was de zware dieselmotor van een vrachtschip dat zich voorworstelde over de rivier die langs het hotel liep.

Op een of andere onwezenlijke manier voelde hij zich opgelucht dat hij het raadsel had kunnen oplossen en zijn brein en zijn ogen begonnen zich op andere dingen te richten. Zoals op de oogverblindend en adembenemend mooie jonge man naast hem in bed, die duidelijk blijk gaf van het feit dat de scheepsmotor hem niet gestoord had en dus nog diep in dromenland verzonken was.

Martijn zuchtte diep en vroeg zich af hoe ze hier terecht gekomen waren. Even lachte hij. Het was een domme vraag: met de auto natuurlijk! Maar hij bedoelde de vraag anders: hoe was het zover gekomen? En belangrijker: hoe moest het verder gaan?

 

Hij was Remy een maand of drie daarvoor tegen het lijf gelopen op een wijnbeurs, waar hij voor zijn werk was. Hij was nu eenmaal wijninkoper voor een supermarktketen. Meteen was hij hoteldebotel geraakt van de betoverende jongen met de magische ogen. Remy was klein, slank, bijna tenger. Hij had ogen waar een man in kon verdrinken in een fijn besneden gezicht, dat versierd werd met donkerblonde krullen. Hij gedroeg zich natuurlijk, als iemand die zich niet bewust was van het feit hoe mooi en verleidelijk hij was. Maar Remy had ook een keerzijde wist Martijn nu: hij was wat je noemt een bloedmooie maar kansarme jongen die het geluk had gehad dat een oudere stinkend rijke homo verliefd op hem was geworden. Binnen twee weken had die ouwe hem ten huwelijk gevraagd en zodra alle ambtelijke rompslomp geregeld was waren ze getrouwd. En sindsdien ontbrak het Remy aan niets: rijbewijs, sportwagen, creditcard...teveel om op te noemen.

Martijn was zich er van bewust dat het Remy was, nee, die ouwe dus, die het hotel betaalde. Het was het soort hotel dat hij zich niet kon veroorloven. Het was een oud slot dat omgebouwd was tot een luxe hotel met parket vloeren, massief eikenhouten meubelen, uitzicht op de rivier en de beboste heuvels en een overdaad aan luxe. Het soort hotel dat Martijn’s budget verre overschreed. En ook al was het een dienstreis, het was het het soort bonnetje waarmee hij echt niet bij zijn baas hoefde aan te komen. 

 

En hijzelf? Martijn haalde in gedachten wat mismoedig de schouders op. Nee, hij was geen kansarme jongen maar hij had wel zijn kansen vergooid. En nu zat hij vast in een leven wat hij niet wilde...in ieder geval niet meer wilde.

Hij was al vroeg getrouwd. In het bekrompen konservatieve gereformeerde milieu waar hij vandaan kwam moest dat wel, want Sandra, zijn vrouw, was al zwanger van de eerste voor hun huwelijk. Er was daarna nog een tweede kind gekomen maar na de geboorte daarvan was de passie en de liefde erg snel bekoeld tot een arktisch klimaat waarvan zelfs een ijsbeer nog zou gaan klappertanden. Het leidde er toe dat hij nu getrouwd was met een vrouw die het niet interesseerde of hij thuis was of niet, die het geen ene bal zou uitmaken als hij dood in de huiskamer zou neervallen. Hooguit zou ze zich luidkeels beklagen over het feit dat hij in de weg lag. En verder was er een standaard rijtjeshuis met een te hoge hypotheek en een baantje wat weinig of geen kans op vooruitgang gaf.

Hij bleef in feite voor de kinderen...en in zekere zin voor de hond. Voor die heks waarmee hij getrouwd was had het geen zin te blijven. Die had haar eigen leven wat niets meer met het zijne te maken had. En zo reeg de ene troosteloze dag zich aaneen met de volgende troosteloze dag tot het alleen nog maar een grauw, eentonig en liefdeloos bestaan was geworden dat bestond uit ’s morgens naar zijn werk en ’s avonds weer terug, met uitzondering dan van de wijnbeurzen in het buitenland. Dat gaf nog enige verlichting.

 

Tot die wonderlijke dag dat hij Remy tegen kwam. Hij viel als een blok voor de jongen. Eindelijk waren er weer vlinders in zijn buik, maar hij wist niet hoe hij die beestjes moest temmen. Tenslotte: Remy was een jongen, een man...dat betekende toch niet dat hij homo was? Maar het kleine vlammetje van ontluikende liefde liet zich niet meer blussen en laaide op tot een groot vreugdevuur. “Dan maar homo!!”, zei zijn hart hem. Maar zijn verstand zei wat anders:

“Nee, je kunt de kinderen niet achterlaten!! Je hebt een verantwoordelijkheid! En God vindt het niet goed dat je als man houd van man!”.

Het hart won en de liefde was wederzijds. Nog dezelfde avond bedreven ze die liefde in Martijn’s hotelkamer. Wat zich daar afspeelde wat zo intens en onstuimig dat in vergelijking daarmee zelfs de allereerste nacht met zijn vrouw een kille en onderkoelde bedoening was. De volgende ochtend wisselden ze telefoonnummers uit met de plechtige belofte met elkaar in contact te blijven.

Voor Martijn begon een periode van dromen. Hoe mooi zou het zijn om met Remy met de noorderzon te vertrekken en huishouden, huis, hypotheek en baan gewoon achter zich te laten? Maar zonder de bijna verzengende aanwezigheid van de jongen won toch elke keer het verstand en bleef hij waar hij was: bij de kinderen, de hond en bij zijn baas.

Maar dromen hebben een eigen logika en komen toch steeds weer terug. Daarnaast hield Remy zich aan zijn belofte en ze bleven telefonisch kontakt houden, beiden stiekem, met mobieltjes vanuit de auto. Beiden bleven de liefde voor elkaar voelen maar waren zich ook bewust van de beperkingen. Martijn zat gevangen in zijn verantwoordelijkheden, Remy zat ook gevangen, maar dan in de verslaving aan de rijkdom, die hem door toeval gewoon overkomen was. Het maakte het een onmogelijke liefde, een heerlijk droomgevoel wat nooit waarheid zou worden.  

 

En toen stuurde zijn baas Martijn naar een wijnbeurs aan de Neckar in Duitsland. Hij liet het terloops vallen in een telefoongesprek met Remy.

“Oh leuk”, reageerde die meteen, “dan kunnen we samen gaan! Mijn oude heer is dan voor zaken naar Engeland dus valt het niet op. Ik bel je zo terug”.

En inderdaad, na een kwartiertje rinkelde Martijn’s mobieltje. Het was Remy.

“Ik heb het hotel al geboekt...hihi, uiteraard een tweepersoons-kamer.”, klonk het opgetogen, “Bel me twee dagen vooraf even, dan kunnen we afspreken waar ik je oppik.”  

“Oppik?”, vroeg Martijn verbaasd.

“Ja, dan gaan we met mijn sportwagen. Leuk toch!”

 

En zo waren ze dus hier gekomen, samen in het grote hemelbed, en was de nacht als in een heftige roes van liefde en lust verlopen. Tot de ronkende scheepsmotor hem terug bracht in de realiteit. En die was, dat dit een nacht was om nooit te vergeten maar die zich ook niet snel zou herhalen...als hij zich al zou herhalen.

“Nu kan het nog”, fluisterde Martijn in zichzelf, “Nog een keer!”

Hij strekte zijn hand uit en de toppen van zijn vingers gleden zacht over de naakte schouders van de nog slapende jongen. Langzaam en teder streelden ze langs de contouren van het lichaam, langs de schouderbladen naar beneden over de zij. Het lokte een zacht wellustig gekreun uit. Zijn vingertoppen gleden onder het dekbed en via de heupen belandden ze bij de billen van de jongen. Om vervolgens ook tussen de billen te glijden en zacht over het spelonkje te spelen.

“Mmmmmmmmm”, klonk een zacht geluid.

Martijn gaf een zachte kus in Remy’s hals, intussen voelend hoe het tussen de heerlijke billen steeds vochtiger werd.     

“Geil diertje,” fluisterde Remy nauwelijks hoorbaar, “Wil je alweer? Is al de vijfde keer sinds gisterenavond”

“Ik kan geen genoeg van je krijgen, lieverd”, hijgde Martijn.

In een bliksemsnelle en vloeiende beweging schoot Remy overeind, drukte Martijn op zijn rug en zat toen schrijlings op hem. Langzaam en met een geile blik, die zijn ogen nog betoverender maakten, begon hij over Martijn’s piemel te rijden, die precies tegen de hyper-gevoelige huid van het kruis van de jongen rustte. Martijn kon niet anders dan de ogen sluiten en het vol genot ondergaan. Hij was nu zeker van het feit dat hij homo was. In heel zijn leven was het hem niet gelukt bij vrouwen zo vaak geil te worden en vijf erekties in een nacht te krijgen. Maar deze jongen wist hem helemaal gek te maken.   

Al rijdend wist Remy nog net hijgend en kreunend met gesloten ogen uit te brengen:

“Neem me nog een keer!!!!!”

Dat gezegd hebbend greep Remy achterlangs, pakte de klepel van Martijn’s totaal opgewonden klokkenspel en duwde het in een keer in het soppende grotje. Glijmiddel was overbodig. Martijn was al vier keer klaargekomen diep in de jongen en hij wist dat de binnenkant druipnat was van geilheid en van zijn zaad.

Wild begon hij te stoten. Elke stoot riep hij uit:

“Ik hou van je!! Ik hou van je!!”

Het was tegelijkertijd een gedreven liefdesverklaring en een litanie van wanhoop. Want terwijl hij opnieuw zijn driften botvierde was er een klein, gemeen stemmetje in zijn hoofd dat treiterend zei:

“Je gelooft toch niet dat dat lukken gaat? Dat kan helemaal niet, mafkees!”

Maar toch hield hij zijn adem in....kneep de ogen dicht en weer spoten de stralen liefde in Remy’s inwendige, die het licht gillend en met horten en stoten ademend ontving.

Nadat Martijn zijn laatste zaadreserves in de jongen had uitgestort plofte die min of meer bovenop hem en kuste hem.

Martijn voelde tranen opkomen.  

“Waarom huil je, schat?, vroeg Remy bezorgd.

“Omdat dit het dan was. Vandaag moeten we terug. Wanneer de volgende keer is...nee..of er wel een volgende keer is moeten we maar afwachten. Terwijl ik zo graag bij je zou blijven”.

Remy kuste elk betraand oog en zei zacht:

“Lieverd, die ouwe is al 74. Die gaat een keer dood. Dan kunnen we bij elkaar blijven!”

Even zweeg hij om dan te vervolgen:

“Als jij je tenminste zo ver kunt brengen dat je afscheid neemt van die diepvriezer op benen”.

Er trok een wrang lachje over Martijn’s mond. Het was wel een treffende gelijkenis.

“Het gaat niet om die diepvriezer. Daarvan zou ik al lang afscheid genomen hebben. Die geeft niks om me. Maar ik kan de kinderen niet alleen laten!”.

“Dan neem de kinderen mee!”, zei Remy opgetogen.

“Nee...dat maakt het alleen maar erger. Dan maakt ze er echt een vechtscheiding op leven en dood van. Dat zal ze toch al doen. Ze zal wel proberen dat zij het huis en ik de hypotheek heb. Als ik de kinderen meeneem wordt het alleen maar nog erger. En dat kan ik de kinderen niet aandoen!”

De betoverende blik in Remy’s ogen verdween en maakte plaats voor een uitdrukking van intense droefenis. Het schokte Martijn dat te zien. Het betekende dat de jongen echt van hem hield en dat hij meer was als een tussendoor-avontuurtje ter afwisseling van de oude man.

Remy rolde terug op zijn rug en staarde naar afbeeldingen op het gedecoreerde plafond. Tranen rolden over zijn wangen. Martijn wist niet wat hij moest zeggen. Hij nam de jongen in zijn armen en streelde hem alleen maar.

 

Na gedoucht en onbeten te hebben checkten ze uit. Martijn vermeed een blik op de eindafrekening maar Remy trok luchtig zijn creditcard en alles was in kannen en kruiken. De rit terug naar huis werd hoodzakelijk in stilte doorgebracht. Beiden waren ze verzonken in gedachten, bedachten ze mogelijkheden om hun liefde toch voort te zetten om die ideeen dan toch weer overboord te gooien als onuitvoerbaar.

Na een uur of vier rijden bereikten ze de parkeergarage waar Martijn zijn auto had achtergelaten en was overgestapt in Remy’s sportwagen. Geruime tijd waren ze vervuld van hun eigen gedachten en zwegen ze alleen maar.

Uiteindelijk zei Martijn:

“Ik zal maar eens gaan!”

Remy knikte alleen maar en veegde een traan weg met de rug van zijn hand.

“Je houd echt van me, is het niet?”, vroeg Martijn.

Remy knikte in stilte.

“Ik ook van jou, zielsveel zelfs. Maar het schijnt niet te kunnen, of niet te mogen. We willen beiden een onbereikbaar, onmogelijk iets, vrees ik”.

Opnieuw knikte Remy alleen maar.

“Maar je hebt me vannacht iets ontzettend moois gegeven, schat, iets wat ik nooit zal vergeten”.

Even keek Remy op, een droevige glimlach op zijn gezicht.

“Ik had het zo graag vaak willen doen”, fluisterde hij.   

“Ik ook”, verzuchtte Martijn.

Hij gaf Remy een laatste innige kus, er was een laatste streling. Toen stapte hij uit, pakte zijn tas uit de kofferbak en liep weg naar zijn auto.

Hij keek niet meer om, uit angst dat hij weer wankelmoedig zou worden, toch weer probeerde iets te bedenken wat het onmogelijke toch mogelijk zou maken. Hij voelde zich Romeo, de man met de onmogelijke liefde. En hij wist dat hij een andere Romeo in die sportwagen had achtergelaten.

Hij stak de autosleutel in het portier van zijn auto, terwijl de tranen in zijn ogen opwelden.        

2491 keer gelezen

Score: 9
(van aantal stemmen: 27)

Je moet eerst inloggen om te kunnen stemmen.